Duidelijkheid over berekeningswijze vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor R&D

October 23, 2020

Gedeeltelijke vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor R&D

Ondernemingen die onderzoekers tewerkstellen in R&D-projecten of -programma’s hebben recht op een gedeeltelijke vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing (artikel 275³, § 1, lid 3, 3° van het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992).

Deze vrijstelling is onderworpen aan enkele voorwaarden en begrenzingen. Zo moeten de R&D-projecten of programma’s van de onderneming worden aangemeld bij BELSPO (Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid), komen enkel onderzoekers met een bachelor- of masterdiploma in exacte of toegepaste wetenschappen in aanmerking, en wordt de vrijstelling enkel toegekend in verhouding tot de tijd die onderzoekers effectief aan R&D besteden.

De berekeningswijze van de tijd effectief besteed aan R&D door de onderzoekers kon op verschillende manieren worden geïnterpreteerd.

In het voorjaar werd deze kwestie eindelijk aan de Minister van Financiën voorgelegd (vraag nr. 376 van 25 mei 2020 van de heer Wouter Vermeersch).

Volgens de Minister moet een verhouding worden toegepast die bestaat uit de totale arbeidsduur die effectief door de onderzoeker gepresteerd werd aan onderzoek tegenover zijn totale effectief gepresteerde arbeidsduur.

Bovendien werd bevestigd dat de dagen van afwezigheid die betaald worden door de onderneming eveneens in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

De Minister zorgde met dit antwoord voor welgekomen opheldering over een geschilpunt dat al te lang voor onzekerheid zorgde bij ondernemingen die investeren in R&D. Deze verduidelijking is dan ook enkel toe te juichen!

Indien u hierover nog vragen of opmerkingen heeft, kan u onze collega’s bij Leyton contacteren.

Gerelateerd nieuws