Wet van 28 maart 2022 houdende verlaging van lasten op arbeid – Wat is de impact op mijn onderneming?

08-06-2022

Door Cassandra Popleu

In de nasleep van een verslag van het Rekenhof uit 2019 stemde ons parlement in met de Wet van 28 maart 2022 houdende verlaging van lasten op arbeid. Met deze wet werden onder meer enkele wijzigingen aangebracht aan de fiscale steunmaatregelen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O), met name:

  • onderzoeks-, aanslag- en verjaringstermijnen voor vorderingen tot teruggave van bedrijfsvoorheffing, en belastingverhoging bij onjuiste aangiften;
  • berekeningsgrondslag voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor O&O; en
  • beperking cumulatie van de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor O&O en het belastingkrediet voor O&O.

1

In eerste instantie werd met de Wet van 28 maart 2022 gesleuteld aan de onderzoeks-, aanslag- en verjaringstermijnen bij vorderingen tot teruggave van te veel betaalde bedrijfsvoorheffing. Deze nieuwe termijnen zijn van toepassing vanaf 1 april 2022:

Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffingJaar van inkomstenTermijn
voor indiening van
de aangifte tot vrijstelling van doorstorting
Aanslag- en onderzoekstermijnTermijn voor het instellen van een vordering tot teruggave van de voorheffing
Situatie tot en met 30 juni 2022202X31/08/202X + 131/12/202X + 331/12/202X + 4
Situatie vanaf 1 juli 2022202X31/08/202X + 131/12/202X + 3 + 6 maanden maximale verlenging31/12/202X + 3

Tot voor kort kon teruggave van te veel betaalde bedrijfsvoorheffing worden gevraagd binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd was. Zo kon bijvoorbeeld voor de bedrijfsvoorheffing betreffende aanslagjaar 2019 nog tot 31 december 2023 teruggave worden gevraagd. Met ingang van 1 juli 2022 wordt deze verjaringstermijn ingekort tot 3 jaar te rekenen van 1 januari van het jaar dat volgt op datgene waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Ingevolge die wijziging moet een vordering tot teruggave van bedrijfsvoorheffing m.b.t. aanslagjaar 2019 dus uiterlijk 31 december 2022 worden ingediend. Voor aanslagjaar 2018 werd een overgangsperiode voorzien: hiervoor kan nog tot en met 30 juni 2022 een vordering tot teruggave worden ingediend.

Daarenboven werden tevens de aanslag- en onderzoekstermijn hervormd, zodat deze beter aansluiten op hoger vermelde verjaringstermijn voor de vordering tot teruggave. De vordering tot teruggave kan immers ook buiten de gewone 3-jarige onderzoeks- en aanslagtermijnen worden ingediend. Hierdoor was het volgens de wetgever moeilijk, zo niet onmogelijk, om deze vordering te onderzoeken. Daarom wilde de wetgever voorzien dat, bij indiening van een vordering tot teruggave, de gewone 3-jarige aanslag- en onderzoekstermijnen worden verlengd met een periode gelijk aan die tussen de datum van indiening van de vordering tot teruggave en de datum van de beslissing van de fiscale administratie, met een maximumtermijn van 6 maanden (artikelen 333, § 2 en 354, § 7 WIB 1992).

Deze wijzigingen lijken ons overhaast te zijn besloten. Vooreerst rijst de vraag naar de plotse noodzaak om de onderzoekstermijn bij een vordering tot teruggave van bedrijfsvoorheffing te verlengen? Een belastingplichtige die meent recht te hebben op een vrijstelling van bedrijfsvoorheffing met terugwerkende kracht, zal niet ver geraken als hij nalaat of weigert deze vordering te staven. Bovendien lijkt o.i. de onderzoekstermijn enkel te worden verlengd in zoverre de vordering tot teruggave wordt ingediend binnen de gewone 3-jarige onderzoekstermijn. De nieuwe wettekst verwijst immers naar een vordering tot teruggave die wordt ingediend “binnen de termijn voorzien in het eerste lid” (van artikel 354 WIB 1992). Met andere woorden zou de verlenging van de onderzoekstermijn dus niet van toepassing zijn indien de belastingplichtige in het laatste jaar van de verjaringstermijn een vordering tot teruggave indient. Dit lijkt moeilijk te verzoenen met de bedoeling van de wetgever en betreft wellicht een lapsus in de wet.

De Wet van 28 maart 2022 voorziet ook in de vestiging van een belastingverhoging bij een foutieve toepassing van de vrijstelling. Indien na controle blijkt dat de belastingplichtige een onjuist bedrag aan bedrijfsvoorheffing heeft vrijgesteld, wordt de verschuldigde bedrijfsvoorheffing vermeerderd met een belastingverhoging tussen 10% tot 200% van de onjuist aangegeven vrijstelling (artikel 444, tweede alinea WIB 1992). De fiscus kan wel afzien van deze verhoging bij “bij ontstentenis van kwade trouw”. Zulke kwade trouw zou alvast niet aanwezig zijn wanneer de belastingplichtige spontaan overgaat tot een regularisatie van zijn situatie door middel van een correctie op de aangifte bedrijfsvoorheffing.

2

Een tweede wijziging waar we uw aandacht op willen vestigen betreft de berekeningsgrondslag waarop de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor O&O kan worden toegepast.

De regel blijft dat de werkgever tot maximaal 80% van de (effectief ingehouden) bedrijfsvoorheffing kan vrijstellen van in aanmerking komende werknemers die aan O&O-projecten/programma’s werkten. Stel dat een onderneming voor een in aanmerking komende werknemer 800 euro aan bedrijfsvoorheffing moet inhouden, en deze werknemer besteedde 80% van zijn tijd aan O&O-projecten. In dit geval heeft de werkgever recht op een vrijstelling van doorstorting t.w.v. 512 EUR (800 EUR * 80% * 80%).

Een werkgever kan evenwel méér bedrijfsvoorheffing inhouden dan hij wettelijk gezien verplicht is, en daardoor ook een groter gebruik van de vrijstelling genieten. Met de Wet van 28 maart 2022 wordt verduidelijkt dat de vrijstelling voortaan niet meer kan worden toegepast op het gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden. Met andere woorden, de grondslag voor de berekening van de vrijstelling zal niet langer betrekking hebben op de werkelijk ingehouden bedrijfsvoorheffing, maar alleen op de “verschuldigde” bedrijfsvoorheffing. Deze wijziging treedt in voor bezoldigingen die vanaf 1 april 2022 worden uitbetaald of toegekend.

3

Ten slotte wordt de cumulatie beperkt van twee fiscale steunmaatregelen die zijn gericht op investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Als een onderneming investeert in O&O, en haar eigen werknemers hierbij betrokken zijn, kan ze onder bepaalde omstandigheden de salariskost “activeren” op haar balans. Op dergelijke activa kan zij dan vervolgens het belastingkrediet voor O&O toepassen, en aldus een vermindering van vennootschapsbelasting genieten. Wanneer diezelfde onderneming ook gebruik maakt van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor O&O, zal zij voortaan het bedrag van de toegepaste vrijstelling moeten aftrekken van de berekeningsgrondslag waarop zij het belastingkrediet voor O&O kan toepassen.
 
Voor meer informatie nodigen wij u uit contact op te nemen met Leyton, wiens consultants u graag te woord staan en begeleiden in dit nieuwe fiscale avontuur!

Cassandra Popleu

Tax consultant